Vier dagen zee. Een retourtje Pin-Mill 2009
De windmolens net buiten de kust trekken de aandacht. Diep van binnen kan ik me er maar niet overheen zetten dat zelfs onze zee wordt opgeofferd voor het laden van m’n mobiel of notebook en kan ik verlangen naar een tijd die ik nooit meegemaakt heb. Zware houten rompen, tuigages die God wel de indruk moesten geven dat zijn wind er niet toe zou doen. Mannen die voor de duivel niet bang waren.
Na een prachtige nacht en een dag lekker doorvaren lopen we ergens in de middag de banken bij Harwich aan. Net uit de kooi is het heel even tijd voor wat beweging aan boord. We pikken nog een restje stroom tegen op. Met dik 25 knopen wind op de kop, lopen we onder schuim en water geel van het opgewoelde zand onder de banken door. De losse kopjes en borden van een lui tochtje schuiven luidkeels over het kombuisblad. Met een zacht en warm voorjaars zonnetje schuiven we langs de pieren, de kranen en coasters langzaam de rivier op. Aan bak en stuurboord lopen wat Engelse jachtjes mee naar binnen. Er wordt geglimlacht. Het omhoog geheven biertje en de volle zeilen drukken de tocht onze herinnering in.
Die nacht slenteren we over de heuvels het natte voorjaarsgras door op zoek naar een goed glas ‘ale’. In de ochtend breekt de zon tussen de bomen door. Het licht speelt met de golfjes als de rivier langzaam gevuld raakt met alles wat in Nederland uit de mode lijkt te raken. Alles wat vaart en klein, smal en traditioneel is maakt zich los van de moorings. Als we aan het einde van die middaq vertrekken is de wind niet van plan ons snel van de Engelse kust los te laten. We zoeken de ruimte op. In twee lange slagen zeilen we onder maanlicht de Outer Gabbard langs. Een dag later, na een dagje Scheveningen passeren we onder zeil aan het einde van de avond het Muziekgebouw aan het Ij. De gasten op de trein achterlatend.
Collega’s vragen die week of ik dat weekeinde ‘Vrije geluiden’ nog gezien en gehoord heb. Ik kan alleen maar knikken. De zee. Drie dagen ‘vrije geluiden’. Daar kan geen omroep tegenop.
De windmolens net buiten de kust trekken de aandacht. Diep van binnen kan ik me er maar niet overheen zetten dat zelfs onze zee wordt opgeofferd voor het laden van m’n mobiel of notebook en kan ik verlangen naar een tijd die ik nooit meegemaakt heb. Zware houten rompen, tuigages die God wel de indruk moesten geven dat zijn wind er niet toe zou doen. Mannen die voor de duivel niet bang waren.
Na een prachtige nacht en een dag lekker doorvaren lopen we ergens in de middag de banken bij Harwich aan. Net uit de kooi is het heel even tijd voor wat beweging aan boord. We pikken nog een restje stroom tegen op. Met dik 25 knopen wind op de kop, lopen we onder schuim en water geel van het opgewoelde zand onder de banken door. De losse kopjes en borden van een lui tochtje schuiven luidkeels over het kombuisblad. Met een zacht en warm voorjaars zonnetje schuiven we langs de pieren, de kranen en coasters langzaam de rivier op. Aan bak en stuurboord lopen wat Engelse jachtjes mee naar binnen. Er wordt geglimlacht. Het omhoog geheven biertje en de volle zeilen drukken de tocht onze herinnering in.
Die nacht slenteren we over de heuvels het natte voorjaarsgras door op zoek naar een goed glas ‘ale’. In de ochtend breekt de zon tussen de bomen door. Het licht speelt met de golfjes als de rivier langzaam gevuld raakt met alles wat in Nederland uit de mode lijkt te raken. Alles wat vaart en klein, smal en traditioneel is maakt zich los van de moorings. Als we aan het einde van die middaq vertrekken is de wind niet van plan ons snel van de Engelse kust los te laten. We zoeken de ruimte op. In twee lange slagen zeilen we onder maanlicht de Outer Gabbard langs. Een dag later, na een dagje Scheveningen passeren we onder zeil aan het einde van de avond het Muziekgebouw aan het Ij. De gasten op de trein achterlatend.
Collega’s vragen die week of ik dat weekeinde ‘Vrije geluiden’ nog gezien en gehoord heb. Ik kan alleen maar knikken. De zee. Drie dagen ‘vrije geluiden’. Daar kan geen omroep tegenop.